Agenda

Een overzicht van activiteiten die te maken hebben met het land, de taal of de cultuur.
Lees verder...

Statistieken

Vandaag 108
Deze week 232
Deze maand 4039
Sinds 11-2008 439406

Tuin




 

 

 

 

Begrip: Tuin
meervoud tuinen
woordsoort zelfstandig naamwoord
bijbehorend lidwoord de
 
Definitie
Een tuin is een soms afgesloten, soms open stuk grond waarop gewassen worden verbouwd.
 
Synoniemen
gaarde
gaard
hof
hortus
   
Antoniemen
-
   
Soorten tuinen
moestuin
siertuin
wijngaard
kruidentuin
   
Rijmwoorden (Wat rijmt er op tuin?)
bruin
kruin
duin
puin
 
Allitererende woorden (Wat allitereert er met tuin?)
thuis
tuig
Teun
tuit
tuiten
tuimelen
   
Uitdrukkingen Betekenis
Iemand om de tuin leiden. Iemand misleiden
Wie in zijn eigen tuintje wiedt, ziet het onkruid bij een ander niet. Wie zich om zijn eigen zaken bekommert, heeft geen tijd om zich te ergeren aan de tekortkomingen van een ander.
   
Etymologie
Tuin is verwant aan het Engels woord 'town' (stad) en het Duitse woord 'Zaun' (hek of schutting). Het woord betekende oorspronkelijk 'een door hekken afgesloten stuk grond', wat in de loop van de tijd in deze drie talen een iets andere betekenis kreeg.
   
Verwante begrippen
afgeleid werkwoord tuinieren
persoon die zich ermee bezighoudt tuinman /
tuinvrouw /
hovenier /
tuinder
   
Vertalingen
Engels - Frans - Duits - Spaans
Arabisch - Bosnisch - Fins - Fries - Grieks - Italiaans - Indonesisch - Pools - Roemeens - Russisch - Tsjechisch - Turks - Zweeds

 

 

 








Citaat van de dag

" Ik zie hoe de wereld langzaam steeds meer in een woestijn herschapen wordt, ik hoor steeds harder de aanrollende donder, die ook ons zal doden, ik voel het leed van miljoenen mensen en toch, als ik naar de hemel kijk, denk ik dat alles zich weer ten goede zal wenden, dat ook deze hardheid zal ophouden, dat er weer rust en vrede in de wereldorde zal komen. " - Anne Frank -
(1929-1945)

Advertenties

Ook adverteren op deze pagina?

Meer Germaanse talen bij Talennet

Engels, Duits, Zwitserduits, Nedersaksisch, Fries, Limburgs, Deens, Noors, Zweeds, Ijslands, Faeröers, Jiddisch en Zuid-Afrikaans.